De Stichting Experimentele Woningbouw

De Stichting Experimentele Woningbouw (SEW) kwam in november 1968 tot stand op initiatief van het N.V. Bouwfonds Nederlandse Gemeenten te Assen, samen met Verenigde Bedrijven Brederode N.V. te Utrecht, Bruynzeel N.V. te Zaandam, Weverij De Ploeg N.V. te Bergeijk, en kort daarna met Eternit B.V. te Amsterdam, Koninklijke Nederlandse Hoogovens en Staalfabrieken N.V. te IJmuiden, en N.V. Nederlandse Linoleumfabriek te Krommenie. Als participant zonder aansprakelijkheid was het V.E.G. Gasinstituut te Rijswijk eveneens bij de SEW betrokken.  De stichting had tot doel: "het bevorderen van de experimentele woningbouw door het ontwerpen of doen ontwerpen casu quo het realiseren of doen realiseren van experimentele woningtypen, teneinde bij te dragen tot de ontwikkeling van de woningbouw en het wonen". (citaat uit de statuten van de stichting)

Door de stichting werd een garantiefonds ingesteld om vernieuwende ontwerpen en plannen van architecten en stedenbouwkundigen mogelijk te maken die anders wegens de hogere stichtingskosten geen doorgang zouden vinden. Met de SEW kwam er een nieuwe stichting naast de reeds bestaande stichtingen met vergelijkbare doelstellingen, zoals de Stichting Nieuwe Woonvormen (1968-1977) en Stichting Architecten Research (SAR 1964-1976).

Bij de Nederlandse gemeenten bleek er echter nauwelijks werkelijke interesse voor dit idee te bestaan. Toen in de laatste drie jaar geen reële projecten werden voorgedragen, werd de stichting in 1975 opgeheven. Het enige andere project dat de SEW, naast de Diagoonwoningen, financieel heeft ondersteund was van het Research Instituut voor de Woningbouw van de Technische Hogeschool in Delft onder leiding van dr.ir. Hugo Priemus. Het project betrof het ontwikkelen van een procedure voor bewonersparticipatie waardoor aspirant-bewoners betrokken konden worden bij het ontwerpproces, en een proefperiode waarin de ontwikkelde procedure in de praktijk getoetst werd bij de realisatie van een complex van circa 70 woningen van verschillende typen in Middelburg. Er is nog een poging ondernomen een experiment in het kader van de stadsvernieuwing te starten, maar ook daarvoor bleek bij de Nederlandse gemeenten te weinig belangstelling te bestaan.

Het experimentele project van de SEW in Delft betrof koopwoningen waarmee het zich onderscheidde van de experimentele woningbouwprojecten van de andere stichtingen, die vooral gericht waren op het ontwikkelen van betaalbare huurwoningen op grote schaal. De SEW leek dit echter vooralsnog een onhaalbaar doel, en richtte zich met het Delftse project op het ontwikkelen van een prototype. Dat was ook de verklaring van drs. W.A. Renardel de Lavallette, voorzitter van de stichting en tevens directeur van Weverij De Ploeg N.V. te Bergeijk, waarom de prijs per woning zo hoog zou worden, namelijk fl 90.000,00 (€ 40.840,00). Het was de bedoeling om op basis van de ervaringen tot een op grotere schaal reproduceerbare en voor de gewone man betaalbaarder type te komen met behoud van de mogelijkheden voor bewoners om hun eigen woongedrag te bepalen. Uiteindelijk werden ondanks diverse bezuinigingsronden de woningen nog duurder en liepen de koopprijzen uiteen van fl 109.450,00 (€ 49.666,00) tot 120.425,00 (€ 54.646,00), afhankelijk van de opties die de kopers al direct bij de bouw lieten uitvoeren. In de verkoopbrochure werd aangegeven dat het prototype ook niet bedoeld was "tot verzachting van de ellende van de woningnood", maar om "iets te laten zien van wat vandaag de dag mogelijk zou moeten zijn als antwoord op de woonwensen zoals we die vermoeden bij veel mensen. Het is een poging om zo een aantal hardnekkige stereotypen die nog steeds de woningbouw beheersen af te breken".

De Stichting Experimentele Woningbouw heeft tweemaal een onderzoek onder de bewoners van de Diagoonwoningen gehouden. In 1975, vier jaar nadat de huizen betrokken waren, is het eerste onderzoek uitgevoerd door het bureau IN/VO uit Amsterdam. Er zijn toen acht bewoners uitvoerig geïnterviewd. Er waren nogal wat klachten over de slechte afwerking, de ontoereikende verwarming, tocht, lekkages en doorslaande muren, en van de voorziening voor een open haard bleek geen gebruik gemaakt te kunnen worden omdat het rookkanaal te smal uitgevoerd bleek te zijn. Toch waren alle bewoners op één na nog steeds overtuigd van hun keuze toentertijd. De bewoner die al vrij snel weer vertrokken was met achterlating van een muurschildering, was architect Carel Weeber (1937). Hij had de woning betrokken uit 'beroepsnieuwsgierigheid' om eens een andere woonvorm te 'proberen', zoals hij daarvoor op de achtste verdieping in een flat had gewoond. Hoewel hij om die reden toch al niet van plan was lang te blijven, waren zijn niet malse conclusies aanleiding om wel heel snel weer te vertrekken. Zijn oordeel:
"Het huis is eigenlijk te smal en donker, vooral in de winter. Er zitten vier ramen te weinig in. Ondanks de ruimte in de woonkamer is het gebruik eigenlijk heel beperkt. Met rechttoe rechtaan kamers kun je veel meer doen. In deze kamer zitten sprongen die ruimtebeperkend werken. Het huis is te gecompliceerd en te veel aanwezig. Altijd. Het huis moet er ook eens een keer niet kunnen zijn. Het materiaal, het beton, die balken - het is allemaal zo nadrukkelijk. Je hebt ook huizen waar je niet eens merkt dat er muren en wanden zijn, maar waar bijvoorbeeld de meubels of kleuren opvallen, of gewoon dat er aardige mensen wonen. Dit huis is er altijd, voornamelijk omdat het visueel zulke sterke kwaliteiten heeft. Maar het is niet nodig een huis zo ingewikkeld te maken."

In 1978 zijn dezelfde bewoners nog eens gevraagd naar hun ervaringen met het experimentele concept van Hertzberger. Na zeven jaar woonervaring bleek iedereen nog onverminderd enthousiast. Ondanks het feit dat nagenoeg geen van de eerder geuite klachten over constructiefouten, verkeerde technische details en slechte afwerking waren opgelost, was niemand van plan nog te vertrekken. De meeste bewoners dachten ook niet meer te kunnen wennen aan een 'gewoon' huis.

Ongewoon wonen in een ongewoon huis 

In 1968 was de Stichting Experimentele Woningbouw één van de particuliere initiatieven die zich bezig hielden met experimenteren om zo nieuwe woontypologieën en woonvormen te ontwikkelen. Van veel omvangrijker belang was echter de rol van de rijksoverheid. Minister Schut van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening nam in hetzelfde jaar het initiatief voor een aantal belangrijke vernieuwingen op het gebied van volkshuisvesting en woningbouw met het programma Experimentele Woningbouw.

Dit programma diende niet alleen als aanjager voor de vernieuwing van woontypologieën en het zoeken naar nieuwe woonvormen die meer zouden aansluiten op de wensen de woonconsument, maar ook als katalysator voor de vernieuwing van de woonomgeving. Het pro­gramma was daarmee meer dan alleen een reactie op de eenvormigheid en de op kwantiteit gerichte woning­bouwprogramma’s uit eerste helft van de jaren 60. Met het programma wilde de rijksoverheid inspiratie bieden aan marktpartijen en lagere overheden. Inspraak door bewoners en aandacht voor kwaliteit moesten de woning niet alleen aantrekkelijker maken, maar er ook voor zorgen dat er een goede huurprijs gevraagd kon worden. Het programma beperkte zich tot gesubsidieerde woningbouw in de verhuursector en woningwet en premiebouw. Met het predicaat experimentele woningbouw subsidieerde de overheid slechts één eerste project, dat vervolgens elders in vergelijkbare vorm zonder extra overheidssteun gerealiseerd zou kunnen worden. Deze voorbeelden, zo was het idee, zouden tevens particuliere initiatieven inspireren en stimuleren. Tussen 1968 en 1980 werden 64 projecten met het predicaat door heel Nederland gerealiseerd.

Het programma agendeerde ook nieuwe thema’s als stadsvernieuwing en seniorenhuisvesting.  Volkshuisvesting werd ingezet als hefboom voor ruimtelijke opgaven door de zoeken naar mogelijkheden voor compact en betaalbaar bouwen voor de sociaaleconomisch lagere klassen, en de inrichting en gebruik van collectieve ruimte. Naast het bouwen in de nieuwe wijken, werd een tweede groep experimenten met woningbouw gecreëerd in de bestaande stad, met name in de verarmde en verpauperde binnensteden. Deze groep experimenten maakte deel uit van de stadsvernieuwingstaak gericht op revitalisering, als tegenhanger van de sloop van de stadscentra uit de jaren 50 en 60.