De architectuur van de Diagoonwoningen

De Diagoonwoningen nemen om een aantal redenen een bijzonder positie in de ontwikkeling van de woningbouw en het denken over wooncultuur. Allereerst betreft het ontwerp een huis voor de gewone burger. Het valt in de categorie ‘alledaagse’ architectuur en onderscheidt zich daarmee van ‘bijzondere’ architectuur. Beide termen spelen een rol in de theorie van John Habraken die in 1961 het boek De dragers en de mensen - Het einde van de massawoningbouw publiceerde. In dit boek kondigt hij het einde van de massawoningbouw aan, en het is een theoretische sleutelwerk over bewonersparticipatie. “De conclusie moet zijn dat een weder-instelling van de medezeggenschap en het initiatief van de bewoners in de meest letterlijke zin, verdedigd moet worden”, aldus Habraken. De ideeën van Habraken hebben grote invloed gehad op de architecten van Forum, het Nederlandse architectuurtijdschrift dat bekendstond als spreekbuis van de structuralisten. Deze architecten ontwikkelden een geometrisch modulaire aanpak voor gebouwen en buurten gerelateerd aan de menselijke schaal. Van de Forumgroep was Hertzberger het meest geïnteresseerd in de participatie en zelfontplooiing van bewoners, en van hem zijn dan ook de eerste werkelijk uitgevoerde ontwerpen waarin de gebruiker een centrale rol speelt, die internationaal bekend werden. Naast het gebouw van Centraal Beheer in Apeldoorn uit 1972 is dat de Diagoonwoningen in Delft.

Eind jaren zestig was de woningnood grotendeels gelenigd en ontstond er toenemende kritiek op de gestandaardiseerde volkswoningbouw. Hertzberger deed in een van zijn eerste woningontwerpen een geslaagde poging het traditionele denk- en woonpatroon in de woningbouw te doorbreken door de Diagoonwoning te ontwikkelen. "De op de gemiddelde bewoner afgestemde woning kan nooit meer zijn dan een grootste gemene deler", zei Hertzberger. Een collectieve interpretatie dus van individuele leefpatronen. In plaats daarvan zou volgens hem gezocht moeten worden naar woningtypen en woonvormen waarin iedereen zoveel mogelijk zelf kan bepalen hoe hij wil leven. Ligt in het stedenbouwkundige concept de nadruk op de betrokkenheid op anderen, in de woningen zelf speelt vooral de zelfverwezenlijking een belangrijke rol.

Stedenbouwkundige aspecten

De Diagoonwoningen zijn gebaseerd op het ontwerp voor een woonwijk uit 1967 voor de gemeente Vaassen in Gelderland. In dit ontwerp is niet alleen de woning, maar ook de straat opgevat als een 'karkas' dat door de bewoners individueel en collectief afgemaakt en ingericht zou kunnen worden. Toen dit project niet van de grond kwam, werden acht experimentele woningen als prototype in Delft gebouwd. Het rijtje bestaat uit twee blokjes van drie en vijf woningen, die ten opzichte van elkaar gespiegeld en versprongen zijn, en representeert een te repeteren stedenbouwkundig element. Evenals de Diagoonwoning zelf levert dit geen strenge, anonieme stedenbouwkundige ordening op.

Voor Hertzberger was het wonen met elkaar, het sociale verband van de buurt, en de saamhorigheid van de bewoners, misschien nog belangrijker dan het individuele wonen. Om die redenen werd de sociale functie van dit stedenbouwkundig ensemble op een aantal manieren gefaciliteerd. Door in het rijtje de twee blokjes van woningen ten opzichte van elkaar te spiegelen wordt het traditionele onderscheid tussen een representatieve voorzijde aan de straat en een private achterkant met tuin enigszins gerelativeerd. De relatie tussen privaat territorium en openbare ruimte kan zo op verschillende manieren door de bewoners bepaald worden. Dit mede door de mogelijkheid om in de woning te kunnen kiezen aan welke kant van het huis men zou willen wonen, eten en slapen. Er was een verbinding tussen beide blokjes via een doorgang in de ‘oksel’, zodat het niet nodig was om het complex heen te moeten lopen om elkaar spontaan te kunnen treffen (zie bij foto's afbeelding 11).  De private buitenruimte direct grenzend aan de zijde met entree en carport werd belegd met gewone stoeptegels alsof het de openbare straat betrof. Er waren geen erfscheidingen aangebracht. Zo zou ook de straat als halfproduct door de bewoners toegeëigend kunnen worden, en de ‘toevallige’ ontmoeting en interactie stimuleren. ​Aan de tuinzijde waren slechts minimale erfscheidingen aangebracht met betonstenen randen die door de bewoners zelf geïnterpreteerd en in onderling overleg verder afgemaakt konden worden. Op de dakterrassen vormde stangen van gasbuis de enige scheidingen tussen de woningen. Naar wens zouden terrassen dus ook gemeenschappelijk gebruikt kunnen worden, en de stangen bijvoorbeeld benut kunnen worden voor een schommel voor de kinderen van verschillende gezinnen.

In de praktijk bleken de bewoners toch wat minder gesteld te zijn op de voortdurende confrontatie met elkaar. Wegens de overlast die de passerelle veroorzaakte werd al een jaar na oplevering besloten de twee delen van deze doorgang af te sluiten en aan de twee aangrenzende woningen toe te wijzen. Aan de entreezijde verschenen eveneens al snel erfscheidingen in de vorm van heggen en bakken. De tuinen werden van elkaar afgescheiden met schuttingen en heggen, en op de dakterrassen verschenen manshoge muren.

Opzet en structuur

De Diagoonwoningen zijn een concrete uitwerking van het principe van scheiding van drager en inbouw in de woningbouw, zoals geformuleerd in De dragers en de mensen. Een constructie als repeterende modulaire structuur, zo kenmerkend voor het structuralisme, ontbreekt in de Diagoonwoningen. De muren zijn opgebouwd uit betonnen B2-blokken in schoon metselwerk, overgedimensioneerde betonnen balken en vloeren van gewapend beton. Karakteristieke elementen zijn de flexibiliteit in gebruik en de uitbreidbaarheid.

De woningen zijn in principe tamelijk simpel van opzet en bestaat uit een tweetal vaste kernen: trappen en natte ruimten. Daar om heen bevinden zich een aantal vloeren, steeds een halve verdieping verspringend, de leefplekken. Deze plekken zouden in principe elke gewenste functie kunnen krijgen: wonen, slapen, studeren, eten e.d. Op elke verdieping kan desgewenst een deel afgescheiden worden als vertrek. Het overblijvende deel ligt als een 'binnenbalkon' aan de vide en vormt daarmee samen 'de woonhal', zoals Hertzberger die noemt. Deze balkons kunnen vervolgens door verschillende bewoners naar eigen keuze ingericht en gebruikt worden. Op deze wijze krijgen de bewoners de gelegenheid zelf na te denken over hun woonactiviteiten en hun woongedrag, en daar woonoplossingen voor te bedenken. Oplossingen die in conventionele woningen al op een gestandaardiseerde wijze zijn ingevuld.

Op het stimuleren van inventiviteit is onder andere geanticipeerd door in de plafonds van de leefplekken geen aansluitpunten voor elektriciteit aan te brengen. In de betonnen balken zitten stopcontacten die via schakelaars nabij de trappenkern bedient kunnen worden. Boven deze stopcontacten zitten buizen waar snoeren naar de andere zijde van de balk gevoerd kunnen worden. Vervolgens is het aan de bewoners om zelf te bepalen wat voor lampen er waar komen te hangen.

Aan de buitenzijde bieden de grote kozijnen van vloer tot plafond de bewoners eveneens mogelijkheden om naar eigen inzicht aan te passen. Binnen de vaste indeling in drie horizontale stroken zijn verschillende invullingen mogelijk. Dichte panelen of ramen in vaste, draaiende of klapbare uitvoering, en meer of minder doorzichtig glas. De kozijnen zijn met de bouw zwart geschilderd, zowel aan de binnen- als buitenzijde. Bewoners stond het overigens vrij om er zelf een andere kleur aan te geven, zodat het verschil zichtbaar zou worden met wat de architect had bedacht. In tegenstelling tot wat Hertzberger zelf had verwacht, heeft tot op heden geen enkele bewoner van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Tegenwoordig mogen bewoners de kleur niet meer veranderen omdat de buitenkant van het complex beschermd stadsgezicht is.

In de woning zijn veel thema’s van het Nieuwe Bouwen en Forum terug te vinden:

open en gesloten

De huizen zijn open en gesloten tegelijk. Gesloten door de ligging en het wonen op de eerste of tweede laag. Open doordat het huis zich vanuit het midden van de woning openstelt naar het licht. Het is zoals Adolf Loos (1870-1933), Oostenrijks architect en architectuurtheoreticus bekend van zijn in 1908 gepubliceerde artikel "Ornament und Verbrechen" en vaak gekwalificeerd als voorloper van het functionalisme, het eens formuleerde: "Het huis zwijgt naar buiten toe maar binnen toont het haar volle rijkdom".

buiten – binnen

De woningen spelen met buiten en binnen: het is eenvoudig om een deel van het dakterras (buiten) bij de woning te betrekken (binnen), het gedeelte bij de trap naar de tuin (buiten) bij de keuken (binnen), of de buitenentree bij het halletje. Tegelijkertijd met toevoegingen op de begane grond en de eerste en tweede woonlaag, ontstaan er weer nieuwe buitenruimtes daarbovenop, die dan vervolgens ook weer bij de woning betrokken kunnen worden. Deze grote verscheidenheid aan verschillende configuraties komt tegemoet aan veranderende gezinsomstandigheden of ruimtebehoeften.

een continue ruimte, aandacht voor het sociale aspecten

“Het is één oppervlakte; je woont diagonaalsgewijs, van woonkamer naar keuken, van woonkamer naar slaapkamer. Je roept en je bent er. Dat is het rijke van dit huis, dat alle ruimten in elkaar overgaan en dat geeft je het gevoel steeds bij elkaar te zijn. Het huis geeft gewoon veel meer te beleven aan iedereen.“ (Citaat uit een in 1975 gehouden bewonersonderzoek) De centrale hoge ruimte vormt samen met de binnenbalkons de leefruimte voor de bewoners als gemeenschap. Via de diagonale lijnen, waaraan de Diagoonwoning haar naam dankt, kunnen zij elkaar zien, horen en spreken zonder op elkaars lip te zitten.

Invulling

Onderdeel van het ontwerp was de mogelijkheid voor bewoners om uit een assortiment aan elementen een keuze te kunnen maken om het 'karkas' in te vullen ten behoeve van verschillende woonactiviteiten. Het assortiment bestond uit (inbouw)kasten, deuren en diverse binnenwanden. De elementen waren samengesteld tot een soort inbouwpakketten, afgestemd op de maatvoering van het karkas. Het karkas zelf zou daar met aansluitings- en bevestigingsmogelijkheden op anticiperen. Met een combinatie uit dit assortiment zou elke bewoner aan zijn of haar verlangens kunnen voldoen. De inbouwpakketten zouden vervangbaar en tot op zekere hoogte uitwisselbaar zijn. Het idee was ook dat men pas tot de aanschaf zou over gaan als daar door bijvoorbeeld een veranderde gezinssamenstelling behoefte aan zou ontstaan. Hertzberger heeft een groot aantal plattegrondindelingen getekend om de variaties in gebruiksmogelijkheden te laten zien. Niemand heeft echter ooit gebruik gemaakt van deze geprefabriceerde inbouwpakketten.

Ruimtelijkheid

Wie een Diagoonwoning binnen treedt wordt direct getroffen door de ruimtelijkheid en lichtval. Daglicht valt van boven in de centrale ruimte die de volle hoogte van de woning beslaat. Ook het licht dat door de brede verdiepingshoge gevelpuien valt verandert gedurende de dag. Zomers kan je met de zon mee bewegen en telkens ergens anders gaan zitten, zowel binnen als buiten op het dakterras of één van de andere buitenruimten die binnen de structuur van de woning vallen. De woning nodigt ook uit om te bewegen. De korte trapjes tussen de verdiepingen zijn tegenovergesteld van richting en bieden daardoor telkens andere zichtpunten en belichtingen. Akoestisch functioneert het huis ook anders dan gebruikelijk. De B2-blokken dempen het geluid waardoor je elkaar wel hoort, maar hinderlijk wordt het nooit. Hierdoor onderhouden bewoners steeds contact met elkaar zonder zich daar voortdurend bewust van te zijn.

Hertzbergers Diagoonwoningen worden vaak genoemd als een vervolg op het Moderne Bouwen, en in verwantschap vergeleken met het Rietveld-Schröderhuis in Utrecht, dat hij in nauwe samenwerking met de opdrachtgeefster Truus Schröder-Schräder ontwierp. Toch is er een fundamenteel verschil tussen beide woningen waar het gaat om de wijze waarop de ruimtelijkheid tot stand komt. Het is het verschil tussen (ogenschijnlijk) onbeperkte, eindeloos uitgestrekte ruimte, en besloten ruimte. In de Nederlandse taal is daar eigenlijk geen onderscheid in te maken. In het Engels is dit het verschil tussen ‘space’ en ‘room’. Het concept voor het Rietveld-Schröderhuis is die van de uitgestrekte ruimte. Die ruimte is te verdelen in sub-ruimten door de verschuifbare wanden. Die wanden zijn geen muren, vormen geen onderdeel van de draagconstructie, en zijn bedoeld om plekken af te scheiden. De intentie was dat daarmee verschillende woonfuncties mogelijk werden gemaakt. In de praktijk blijken de wanden toch vooral een ruimtelijke functie te vervullen, namelijk ruimte scheidend. De uitgestrektheid van de ruimte wordt gesuggereerd door de hoeken open te breken tot aan de gevel toe, waar de hoekstijl bij het openen van de ramen afwezig is. In de Diagoonwoning zijn de muren wel dragend. Zij vormen daarmee omsloten ruimte. Door de constellatie van verspringende vloeren aan een over de volle hoogte doorlopende open ruimte, ontstaat echter wel een continuïteit in de ruimtebeleving. Die wordt versterkt door de verspringingen in de muren, waardoor enige coulisse werking ontstaat.

In het concept van de Diagoonwoningen wordt tevens aan een ander pakket aan middelen gedacht om verschillende woonfuncties te separeren, namelijk een systeem van kastwanden en deuren. In maat, materiaal en uitvoering is dit systeem echter ondergeschikt aan de structuur van muren en overgedimensioneerde balken. Het is overduidelijk wat bepaald en onbepaald is. Zonder gebruik van separaties is er dus wel sprake van omsloten ruimte, maar niet van besloten ruimte zoals bij een echte kamer.

Een ander verband dat vaak gelegd wordt met het Rietveld-Schröderhuis, en bijvoorbeeld ook de 'prairie-huizen' van Frank Lloyd Wright, heeft betrekking op de diagonale zichtlijnen waarmee de verblijfsplekken of woonruimten met elkaar worden verbonden. In de eerst genoemde voorbeelden zijn de plattegronden echter gelijkvloers, terwijl in de Diagoonwoning de zichtlijnen driedimensionaal de ruimten verbinden. De ruimtelijke constellatie hangt tussen het Raumplan van Adolf Loos (Huis Möller) en het Plan Libre van Le Corbusier (Villa Savoye) in.

In al deze woningen ontbreekt de gang als instrument om te scheiden en te verbinden. De ruimten gaan in elkaar over (stromende ruimte). Deze compositie van in elkaar overvloeiende ruimten ontstaat mede door de verschuiving van de ruimte-assen aan weerszijde van de vide. Dit nodigt uit om te bewegen en lopend door het huis deze constellatie te ervaren in haar ruimtelijkheid door de wisselende zichtpunten en doorzichten. Eén van de eerst bekende architecten die dit destijds nieuwe ordeningsprincipe toepaste, was de Brusselse architect Victor Horta met het ontwerp van zijn eigen woonhuis in 1898. Daarmee doorbrak hij de klassieke ordening van zelfstandige, besloten ruimten met elkaar verbonden door in elkaars verlengde liggende openingen (enfilade).

Naast de eigen wijze waarop de ruimtelijkheid gevormd wordt, zijn er ook grote verschillen met betrekking tot vorm en kleur met de eerder genoemde woningen te signaleren. In de Stijlbeweging bijvoorbeeld wordt wit gebruikt om openheid te scheppen, om de omsloten ruimte open te breken en tot ‘space’ te maken. Kleuren, dat wil zeggen de primaire kleuren rood, blauw en geel, moesten tot een minimum beperkt blijven en een wezenlijk bestanddeel van de ruimte vormen. Het Rietveld-Schröderhuis is een voorbeeld van deze ‘beeldende’ toepassing van kleur in ruimte, waarmee Rietveld de nadruk legt op abstracte vlakken en lijnen. Muren worden daardoor van hun massiviteit ontdaan en presenteren zich als vooruitspringende of terugwijkende vlakken. Dat maakt het huis tot een object van toegepaste kunst. Het is tegelijkertijd zo af, dat het eigenlijk onmogelijk is om nog schilderijen op te hangen of meubels van een andere signatuur neer te zetten zonder de eenheid te verstoren. In de Diagoonwoning daarentegen ontstaat tussen de muren steeds een beperkte ruimte met haar eigen ruimtelijke werking. Al deze plekken worden ruimtelijk met elkaar verbonden door de centrale vide, waardoor er sprake is van een continue ruimtelijke beleving van deel en geheel. Voorwaarde hiervoor is, is dat de muren als eenheid ervaren moeten kunnen worden en niet in aparte delen uiteenvallen. De muren zijn daarom overal hetzelfde van textuur en kleur, namelijk die van de betonnen B2-blokken zelf. Hoe nadrukkelijk de muren daardoor ook aanwezig zijn, de gebruikers wordt toch voldoende vrijheid geboden om te bepalen wat zij op willen hangen en welke meubels zij willen plaatsen.

Veranderbaar in gebruik

De opzet van de woningen als een karkas, een cascowoning, had niet alleen een ideologische achtergrond, maar ook een economische ontstaansreden. Het zou zo een betaalbaar alternatief kunnen vormen voor het standaard rijtjeshuis en tegelijkertijd aangepast kunnen worden aan voortdurend veranderende woonwensen. Dat bleek in de praktijk echter moeilijk realiseerbaar en heeft geleid tot concepten waarbij de woonconsument uit een catalogus een ‘eigen’ woning kan samenstellen door een keuze te maken uit een vast assortiment plattegronden, gevels en/of gevelelementen. Een essentieel verschil met het oorspronkelijke idee van de cascowoning is echter dat de cataloguswoning na assemblage een eindproduct betreft. Het is niet bedoeld, en ook niet daarvoor ingericht, om aangepast te worden binnen de kaders van een helder ruimtelijk concept. Een cataloguswoning heeft vooral betrekking op verschijningsvorm, status en veronderstelde identiteit. Met zelfbeschikking, het inrichten van de eigen leefomgeving, of het collectief toe-eigenen van de openbare ruimte heeft het weinig te maken.

In Nederland zijn de Diagoonwoningen één van de eerste gerealiseerde cascoprojecten. Opvallend aan dit project is dat de materialiteit en ruimtelijkheid de Diagoonwoning bijzonder uitgesproken in vorm en structuur maken, zowel aan de buiten- als de binnenkant. Dat de woning bepaald geen neutraal casco is, is omdat de bewoners gestimuleerd en geïnspireerd moeten worden om de woning verder af te maken en in te richten. In Forum nummer 3/1973 onder de titel Huiswerk voor meer herbergzame vorm zegt Hertzberger: “de ‘karkas’-huizen zijn principieel onaf en onbepaald in hun bestemming. Maar ze bieden geen onbeperkte vrijheid, geen neutrale plattegrond, maar juist bepaaldheid, die creativiteit in de toekomstige bewoners moet losmaken”. Overigens kunnen de bewoners zich niet alleen het interieur toe-eigenen, maar ook de buitenruimte kan in onderling overleg met de buren geëigend gemaakt worden. Bepaald is de aangeboden structuur die als casco onaf is, onbepaald is de zelfverwezenlijking binnen de woning en de betrokkenheid op de buren daarbuiten.

Voor het bewonen van een Diagoonwoning hoeft het casco overigens slechts in beperkte mate ‘afgemaakt’ te worden. Nadat de plek en inrichting van de keuken, badkamer en één of twee toiletten zijn bepaald, hoeft er alleen nog nagedacht te worden over stoffering en meubilering. De verandering in gebruik zonder dat daar bouwkundige ingrepen voor nodig zijn, het polyvalente aspect van de Diagoonwoning, zou gerealiseerd kunnen worden door inzet van een keuze uit het standaardassortiment aan (inbouw)kasten, deuren en diverse binnenwanden. Eenmaal geplaatst zouden zij verschillende woonactiviteiten faciliteren, maar desondanks een ondergeschikt deel vormen het casco, dat wil zeggen de ruimtelijke structuur, de betonnen balken en de huid van B2-blokken. De aanpasbaarheid van dit ‘inbouwsysteem’ zou bewoners in staat moeten stellen gemakkelijk gebruiksveranderingen op te vangen.

De polyvalentie van de woning wordt echter vooral gerealiseerd door de ruimtelijke en bouwkundige structuur zelf. De split-level vloeren rond de vide leveren gelijkvormige ruimten op die nagenoeg dezelfde afmetingen hebben. De positie ten opzichte van de twee kernen (trappenhuis en natte ruimten) is in principe niet eenduidig hetgeen hun functioneel gebruik eveneens onbepaald laat. In de praktijk is het polyvalentente karakter overigens beperkt gebleken. Alle bewoners hebben keuken en badkamer boven elkaar geplaatst. Daarmee zijn de woonactiviteiten per verdieping eveneens bepaald. Men woont op niveau 1 en 2, en slaapt op niveau 3. Zitten doet men vooral op niveau 1 en werken op niveau 2. Eten gebeurt op niveau 1 in de centrale ruimte. Ook de maatvoering van het casco, in combinatie met de verspringingen in de muren, beperkt de mogelijkheden om de ruimten anders in te richten. De relatieve onbepaaldheid van de binnenbalkons rond de vide heeft in de loop ter tijd bewoners daarentegen wel aanleiding gegeven om onder andere een "Beierse" bar, huiswerkplekken, en bibliotheken in te richten. De carport is, op nummer 32 na, bij alle huizen dichtgezet en in gebruik als werkplaats, praktijkruimte of werkkamer.

Naast de polyvalentie van de ruimte in de woning is er nog een ander aspect van de Diagoonwoning dat veranderingen in gebruik mogelijk maakt, namelijk de uitbreidbaarheid aan weerszijde en bovenop. Bijzonder kenmerk is daarbij dat daar aan de buitenkant al in voorzien is. Binnen de ruimtelijke en constructieve opzet van de woning worden daarvoor diverse mogelijkheden geboden, zoals de buitenentree, de ‘balkons’ op niveau 1 en 2, en het dakterras. Voor deze uitbreidingen hoeven er geen extra funderingen gemaakt te worden. Ook blijven de ruimtelijke gevolgen voor de belendende woningen beperkt.

Monogoonwoningen

In 1973 heeft Hertzberger de Monogoonwoningen ontworpen. Bedoeling was dat een rijtje van vier woningen naast de acht Diagoonwoningen gebouwd zouden worden. De Monogoonwoningen hebben een smallere beukmaat, was compacter van opzet, en zou daardoor betaalbaarder moeten zijn. Het plan is echter nooit gerealiseerd juist vanwege de verkoopprijzen die nog hoger lagen dan die van de Diagoonwoningen.