De Stichting Experimentele Woningbouw

De Stichting Experimentele Woningbouw (SEW) kwam in november 1968 tot stand op initiatief van het N.V. Bouwfonds Nederlandse Gemeenten te Assen, samen met Verenigde Bedrijven Brederode N.V. te Utrecht, Bruynzeel N.V. te Zaandam, Weverij De Ploeg N.V. te Bergeijk, en kort daarna met Eternit B.V. te Amsterdam, Koninklijke Nederlandse Hoogovens en Staalfabrieken N.V. te IJmuiden, en N.V. Nederlandse Linoleumfabriek te Krommenie. Als participant zonder aansprakelijkheid was het V.E.G. Gasinstituut te Rijswijk eveneens bij de SEW betrokken. Door de stichting werd een garantiefonds ingesteld om de financiële risico’s van experimentele woningbouw te dragen. De stichting had niet de bedoeling om zelf projecten te entameren, maar om vernieuwende ontwerpen en plannen van architecten en stedenbouwkundigen mogelijk te maken die anders wegens de hogere stichtingskosten geen doorgang zouden vinden.

Bij de Nederlandse gemeenten bleek er echter nauwelijks werkelijke interesse voor dit idee te bestaan. Toen in de laatste drie jaar geen reële projecten werden voorgedragen, werd de stichting in 1975 opgeheven. Het enige andere project dat de SEW, naast de Diagoonwoningen, financieel heeft ondersteund was van het Research Instituut voor de Woningbouw van de Technische Hogeschool in Delft onder leiding van dr.ir. Hugo Priemus. Het project betrof het ontwikkelen van een procedure voor bewonersparticipatie waardoor aspirant-bewoners betrokken konden worden bij het ontwerpproces, en een proefperiode waarin de ontwikkelde procedure in de praktijk getoetst werd bij de realisatie van een complex van circa 70 woningen van verschillende typen in Middelburg.

De Stichting Experimentele Woningbouw heeft tweemaal een onderzoek onder de bewoners van de Diagoonwoningen gehouden. In 1975, drie jaar nadat de huizen betrokken waren, is het eerste onderzoek uitgevoerd door het bureau IN/VO uit Amsterdam. Er zijn toen acht bewoners uitvoerig geïnterviewd. Er waren nogal wat klachten over de slechte afwerking, de ontoereikende verwarming, tocht, lekkages, doorslaande muren, en de open haard deed het ook al niet. Toch waren alle bewoners op één na nog steeds overtuigd van hun keuze toentertijd. De bewoner die al vrij snel weer vertrokken was met achterlating van een muurschildering, was Carel Weeber. Hij had de woning betrokken uit 'beroepsnieuwsgierigheid' om eens een andere woonvorm te 'proberen', zoals hij daarvoor op de achtste verdieping in een flat had gewoond. Hoewel hij om die reden toch al niet van plan was lang te blijven, waren zijn niet malse conclusies aanleiding om wel heel snel weer te vertrekken. Zijn oordeel:
"Het huis is eigenlijk te smal en donker, vooral in de winter. Er zitten vier ramen te weinig in. Ondanks de ruimte in de woonkamer is het gebruik eigenlijk heel beperkt. Met rechttoe rechtaan kamers kun je veel meer doen. In deze kamer zitten sprongen die ruimtebeperkend werken. Het huis is te gecompliceerd en te veel aanwezig. Altijd. Het huis moet er ook eens een keer niet kunnen zijn. Het materiaal, het beton, die balken - het is allemaal zo nadrukkelijk. Je hebt ook huizen waar je niet eens merkt dat er muren en wanden zijn, maar waar bijvoorbeeld de meubels of kleuren opvallen, of gewoon dat er aardige mensen wonen. Dit huis is er altijd, voornamelijk omdat het visueel zulke sterke kwaliteiten heeft. Maar het is niet nodig een huis zo ingewikkeld te maken."

In 1978 zijn dezelfde bewoners nog eens gevraagd naar hun ervaringen met het experimentele concept van Hertzberger. Na zes jaar woonervaring bleek iedereen nog onverminderd enthousiast. Ondanks het feit dat nagenoeg geen van de eerder geuite klachten over constructiefouten, verkeerde technische details en slechte afwerking waren opgelost, was niemand van plan nog te vertrekken. De meeste bewoners dachten ook niet meer te kunnen wennen aan een 'gewoon' huis.